Word ook lid van...

VCgPLinkedIn

Tijdschrift

tijdschrifHet Tijdschrift Cliëntgerichte Psychotherapie (TCgP) is het tijdschrift van zowel de Nederlandse Vereniging voor Cliëntgerichte Psychotherapie als de Vlaamse Vereniging voor Cliëntgerichte Psychotherapie en verschijnt vier keer per jaar. Uitgever is De Tijdstroom te Utrecht. Leden van de VCgP ontvangen het Tijdschrift gratis. Niet-leden kunnen zich voor 42 euro per jaar bij de uitgever van het Tijdschrift abonneren.
Een instellingsabonnement kost 67 euro per jaar.

Carl Ransom Rogers (1902-1987)

Afdrukken PDF
Carl_Rogers
Carl Ransom Rogers werd op 8 januari 1902 in een voorstadje van Chicago, in de Amerikaanse staat Illinois, geboren. Hij groeide op in een conservatief protestants gezin, waar soberheid, hard werken en trouw kerkbezoek hoog in het vaandel geschreven stond. Carls vader was weg- en waterbouwkundig ingenieur, zijn moeder 'gewoon' huisvrouw. Er waren nog 5 andere kinderen.

Toen hij 12 jaar oud was verhuisde het gezin naar het platteland, waar vader een soort hereboer werd. Een studie landbouwkunde na de middelbare school lag toen voor de hand. Deze keuze bevredigde kennelijk niet, want reeds na twee jaren zwaaide Rogers om naar een andere studie: theologie, aanvankelijk in Wisconsin, later in New York, waar een veel vrijzinniger intellectueel klimaat heerste. Tegenover het theologisch seminarie dat Rogers daar bezocht lag het om zijn liberale ideeën beroemde Teachers College, een onderdeel van de Columbia University. Aan dit College waren bekende mensen als John Dewey, Goodwin Watson en Edward L. Thorndike verbonden. Zij maakten grote indruk op Rogers, die daarop besloot zijn volgende ommezwaai te maken, nu naar de studie psychologie.

De eerste schreden op het therapeutische pad zette Rogers als stagiair in het Institute for Child Guidance. Na het afronden van zijn studie werd hij hoofd van het "Child Study Department of the Society for the Prevention of Cruelty to Children" in Rochester, New York. Daar hield hij zich voornamelijk bezig met diagnostisch werk: kinderen testen en daarover rapporten schrijven t.b.v. kinderrechters, onderwijzers, ouders en voogden. Deze periode in zijn leven duurde maar liefst 12 jaar (hij was inmiddels getrouwd en vader geworden van twee kinderen) en vond zijn afronding in het boek "The Clinical Treatment of the Problem Child" (Rogers, 1939). In deze tijd legde hij ook het fundament voor de non-directieve therapie. Dijkhuis (1988) dateert dit omstreeks 1934. Het verhaal gaat (Dijkstra, 1987) dat de 'behandeling' van de moeder van een van zijn pupillen daartoe de aanleiding vormde. Deze moeder verzocht om enkele gesprekken met Rogers omdat niet alleen haar zoon - een van de pupillen in het Child Study Department - maar ook zijzelf met een aantal moeilijkheden zat. Rogers stemde daarin toe, nam zich echter voor zich in deze gesprekken terughoudend op te stellen. Hij deed niet meer dan stukken van het verhaal van de vrouw samenvatten, haar helpen vaag aanwezige gevoelens onder woorden te brengen en dergelijke. Meer niet, want zijn taak was immers diagnostiek bedrijven bij kinderen en daarover rapporteren. Niettemin, de moeder was dermate enthousiast over de gesprekken en meldde zodanige veranderingen binnen zichzelf, dat Rogers zich af begon te vragen wat er toch zo bijzonder aan die gesprekken geweest was.

Toen hij in 1940 in Ohio tot hoogleraar benoemd werd, maakte hij deze vraag tot uitgangspunt van studie. Hij legde zijn therapiegesprekken fonografisch vast -waarvoor hij aanvankelijk een zgn. 'wire-recorder' gebruikte- , niet alleen om zijn handelwijze als therapeut uit de geheimzinnigheid van de therapiekamer te halen, maar vooral ook om deze voor onderwijs en onderzoek toegankelijk te maken. Voor het eerst in de geschiedenis werd geprobeerd via empirisch onderzoek inzicht te verkrijgen in de werkzaamheid van het therapeutische gesprek! Het is ook de eerste keer dat een volledig verbatim verslag van een therapeutische behandeling werd gepubliceerd. Rogers nam het integraal in zijn boek "Counseling and Psychotherapy" (1942) op.

Enkele jaren later verruilde hij zijn leerstoel in Ohio met een aan de universiteit van Chicago. Zijn onderzoekswerk zette hij op dezelfde voet voort. Het Counseling Center dat hij oprichtte kreeg al gauw grote bekendheid. Uit deze periode stamt niet alleen zijn standaardwerk "Client-Centered Therapy" (1951), maar ook de bundel "Psychotherapy and Personality Change: Coordinated Research Studies in the Client-Centered Approach", die hij samen met Rosalind Dymond schreef (1954). Dit boek was aanleiding voor de American Psychological Association om Rogers de Distinguished Scientific Contribution Award toe te kennen. Het was voor het eerst dat dat een psychotherapeut een dergelijke hoge onderscheiding voor onderzoek ontving.

In het boek Client-Centered Therapy brak Rogers een lans voor het bedrijven van psychotherapie door ook niet-medici. Toe dan toe was deze activiteit uitsluitend aan medici voorbehouden. De benoeming van Rogers in 1957 tot hoogleraar in de (klinische) psychologie èn psychiatrie aan de universiteit van Wisconsin is in dit licht bezien als een doorbraak te beschouwen. Het was een duidelijke erkenning van Rogers werk in die tijd. Met zijn medewerkers, van wie Gendlin, Truax en Kiesler, naderhand grote bekendheid kregen, zette hij een ambitieus onderzoeksproject op naar de effecten van client-centered therapie bij schizofrene patiënten. Het eindverslag daarvan verscheen pas enkele jaren na afronding van deze studie in 1963 onder de titel: "The Therapeutic Relationship and its Impact" (Rogers et al., 1967). Voor de vertraagde publikatie zijn verschillende redenen genoemd, o.a. dat een van de medewerkers met de onderzoeksresultaten aan de haal was gegaan. Hoe de vork ook precies in de steel zat, zeker is wel dat het in die laatste jaren in Wisconsin niet meer boterde tussen Rogers en zijn medewerkers. Wellicht dat de tegenvallende onderzoeksresultaten daarbij een rol hebben gespeeld.

De teleurstellende onderzoeksresultaten hebben er in ieder geval toe bijgedragen dat Rogers een punt achter zijn academische carrière zette en naar Californië afreisde. Hij trad er als resident fellow in dienst van het Western Behavioral Science Institute. Dit instituut hield zich bezig met humanistisch georiënteerd onderzoek op het gebied van interpersoonlijke relaties. Niet gehinderd door organisatorische beslommeringen kon Rogers hier aanvankelijk geheel zijn eigen gang gaan. Maar ook hier kwam het al snel tot een conflict, waarbij democratische bestuursvormen de inzet vormde. Dit leidde opnieuw tot een breuk en dientengevolge tot de oprichting van een eigen instituut: het "Center for Studies of the Person". Dit instituut in La Jolla verkreeg spoedig internationale faam en is nog steeds het 'broeinest' van de 'person-centered approach' in Amerika.

In La Jolla richtte Rogers zich meer en meer op de 'Human Potentials Movement', d.w.z. op de zelfontplooiing van de 'gewone' mens en op de verbetering van intermenselijke verhoudingen in het algemeen. Een en ander werd geconcretiseerd in door het instituut georganiseerde "Encounter Groups" (Rogers, 1970). Waren dit in eerste aanleg kleinere groepen mensen die elkaar wilden 'ontmoeten', na verloop van tijd dijde het uit tot ware massabijeenkomsten. Rogers' bedoeling van deze bijeenkomsten was mensen met uiteenlopende, zo niet tegengestelde, opvattingen over allerhande, vaak sociaal-maatschappelijke kwesties, met elkaar in gesprek te brengen. Daarbij vertrouwde hij op de wil en het vermogen van de deelnemers om hun (onderlinge) conflicten zelf op te lossen. Deze activiteiten bleven niet beperkt tot de Amerikaanse westkust, maar spreidden zich wereldwijd uit. Zo organiseerde Rogers ontmoetingsgroepen tussen protestanten en katholieken in Noord-Ierland, tussen mensen uit Oost- en West-Europa in Hongarije en tussen blanken en zwarten in Zuid-Afrika.

Behalve politiek actief bleef Rogers ondanks zijn hoge leeftijd ook als auteur bijzonder produktief. Zo schreef hij in deze periode een vijftal boeken: "Freedom to Learn" (1969), "On Encounter Groups" (1970), "On Becoming Partners" (1972), "On Power" (1977) en "A Way of Being" (1980).

Verscheidene van deze boeken zijn ook in het Nederlands vertaald en bereikten uitzonderlijk hoge oplagen. In zekere zin waren het variaties op een zelfde thema, n.l. Rogers' grondgedachte dat de mens optimaal functioneert naar gelang hij zich bewust is van zijn eigen mogelijkheden en hij verantwoordelijkheid neemt voor zijn eigen leven, daarbij rekening houdend met de noden en verlangens van andere mensen. Het maakt dan niet uit of het om (echt)paren, leraar-leerling verhoudingen of hulpverleningsrelaties gaat:

By being yourself you can actualize the very best in you. You are like no one else in the world. Simply being ourselves is our greatest potential. We do not have to be great artists or scientists and contribute something worthwhile to be worthwhile. By tapping our individuality, each of us can contribute as no one else can.
It sounds so easy.
But...to be nobody but yourself in a world which is doing its best, night and day, to make you everybody else, means to fight the hardest battle which any human being can fight, and never stops fighting

(Holdstock & Rogers, 1983: 213).

Na een ongelukkige val, waarbij hij zijn heup brak, en een daaropvolgend hartinfarct in het ziekenhuis, overleed Carl Ransom Rogers op 4 februari 1987, 85 jaar oud. Alles bij elkaar al heeft hij ons een belangwekkend theoretisch en praktisch therapeutisch perspectief nagelaten. Zijn denkbeelden vormden niet alleen de basis voor een van de belangrijkste therapierichtingen, maar drongen tot allerlei maatschappelijke sectoren door. In 1982 publiceerde de American Psychologist de uitslag van een enquête onder psychotherapeuten en andere hulpverleners waarin de vraag was gesteld wie volgens hen de meest invloedrijke therapeut van die tijd was. Niet voor niets prijkte bovenaan het lijstje de naam van Carl Rogers. Ook geschiedschrijvers plaatsen zijn naam steeds in de top-tien van de meest vooraanstaande psychologen van deze eeuw. 50 jaar na het uitspreken van zijn beroemde rede in Minnesota laten velen zich nog steeds door deze boeiende man inspireren in het moeizame vak dat psychotherapie heet.

Deze biografie is geschreven door R.J. Takens in het kader van een boek over cliëntgerichte psychotherapie (in voorbereiding). Voor meer biografische informatie kan men terecht bij o.a.

- Evans, R.I. (1975). Carl Rogers; The man and his ideas. New York: Dutton
- Kirschenbaum, H. (1979). On becoming Carl Rogers. New York: Delacorte
- Thorne, B. (1992). Carl Rogers. London: Sage.

Abonneer uzelf op de nieuwsbrief